Het cultureel voorakkoord van 15 juli 1971

Opdat de in artikel 11 en 131 van de grondwet vervatte maatregelen ter bescherming van de ideologische en filosofische minderheden ook ten opzichte van andere overheidsinstellingen konden worden aangewend, sloten de drie zogenaamde traditionele partijen (de Christelijke Volkspartij, de Parti Social Chrétien, de Belgische Socialistische Partij, de Parti Socialiste Belge, de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang en de Parti de la Liberté et du Progrès) op 15 juli 1971 een cultureel voorakkoord af.

Dit gebeurde enkele dagen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers op 19 juli 1971 de wet van 21 juli 1971 goedkeurde betreffende de bevoegdheid en de werking van de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap.

Deze wet heeft de culturele autonomie ingevoerd, in samenhang met de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de wetgevende kamers en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap.

Door de culturele autonomie van de cultuurgemeenschappen, werd de vrees voor machtsmisbruik vanwege een ideologische of filosofische meerderheid immers veel groter dan in de vroegere unitaire staat. Het ideologisch en filosofische evenwicht tussen gelovigen in Vlaanderen en vrijzinnigen in Wallonië, dat tot dan toe op nationaal vlak bestond, werd door de toenmalige grondwetsherziening en de uitvoeringswetten immers abrupt verbroken, zodat belangrijke ideologische en filosofische minderheden in de beide cultuurgemeenschappen bijkomende waarborgen eisten. Het culturele voorakkoord van 15 juli 1971 legde bijgevolg bepaalde principes en doelstellingen vast om discriminatie en machtsmisbruik vanwege de meerderheid te vermijden op nationaal, gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk vlak.