De werkingssfeer

De bepalingen van de cultuurpactwet en het cultuurpactdecreet zijn van toepassing op alle overheidsmaatregelen in verband met culturele aangelegenheden (artikel 2).  Een nadere omschrijving van deze culturele aangelegenheden, wordt gegeven in artikel 2 van de wet van 21 juli 1971 betreffende de bevoegdheid en de werking van de cultuurraden.  Dit artikel werd nadien opgenomen in artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.  De cultuurpactwetgeving is eveneens van toepassing op de internationale samenwerking, zoals bepaald in artikel 127, §1, van de nieuwe gecoördineerde grondwet.

Met het begrip “overheidsmaatregelen” worden alle beslissingen met culturele draagwijdte bedoeld die uitgaan van:

  • de federale overheid;
  • de gemeenschappen;
  • de uitvoerende macht;
  • de provinciale overheden;
  • de gemeentelijke overheden;
  • de interprovinciale en intercommunale verenigingen;
  • de Nederlandse en Franse commissies voor cultuur van het Brusselse hoofdstedelijke gewest;
  • openbare instellingen die onder deze overheden ressorteren (o.a. instellingen van openbaar nut, gemeentelijke culturele vzw's e.d.)

Deze lijst is niet limitatief.

Concreet betekent dit dat de cultuurpactwet en het cultuurpactdecreet van toepassing zijn op overheidsbeslissingen betreffende onder meer de volgende culturele aangelegenheden:

  • jeugdbeleid;
  • sportbeleid, lichamelijke opvoeding, openluchtleven;
  • cultuurbeleid: kunsten, toneel, film, bibliotheken, musea;
  • radio-omroep, televisie;
  • toerisme;
  • vrijetijdsbesteding;
  • permanente vorming;
  • vorming van navorsers;
  • cultureel patrimonium;
  • bescherming en luister van de taal;
  • culturele animatie.